Omdat iedereen een kans verdient

Het PLEIN stelt de ontwikkeling van het kind of de jongere centraal. Hierbij is ouderbetrokkenheid een voorwaarde. Omdat de ontwikkeling niet plaatsvindt tussen 9 uur en 17 uur. Samenwerken met elkaar, communicatie over de voortgang en afstemmen over de aanpak zijn erg belangrijk. 


Theoretisch kader en werkwijze


De visie en de manier van omgaan met de kinderen heeft veel weg van de humanistische stroming van de psychologie, maar ook van het behaviorisme en van cognitieve stromingen. Hieronder staat een samenvatting van het theoretische kader, maar hier vindt u de uitgebreide versie die de basis is van het pedagogische handelen bij Het PLEIN.

Humanisme

De humanistische stroming veronderstelt dat mensen uit zichzelf steeds naar het goede streven. Een belangrijke stap hierbij is het ontstaan van 'het zelf' (de identiteit) bij kinderen. De kinderen op Het PLEIN zijn vaak langer op zoek naar hun 'zelf' en krijgen daar hulp bij door in gesprek te gaan met andere kinderen. Het PLEIN leert kinderen hun eigen keuzes te maken, deze te ervaren om zich zo verder te ontwikkelen. Achterliggende gedacht is dat Het PLEIN alles uit de kinderen wil halen wat er in zit, binnen hun eigen mogelijkheden en in hun eigen tempo. (Rogers, 1961)

Na het ontstaan van 'het zelf' ontwikkelt een kind een zelfbeeld. Kinderen op Het PLEIN hebben vaak een niet realistisch (ideaal) zelfbeeld, gebaseerd op hun onzekerheid. Het PLEIN helpt de kinderen met behulp van individuele gesprekken en groepsgesprekken om tot een realistisch zelfbeeld te komen, zodat ze zich later beter kunnen redden in de maatschappij.

Daarnaast werkt Het PLEIN met de theorie tot zelfverwerkelijkingswaarden van Maslow. 











Behaviorisme

Bij het behaviorisme wordt gekeken naar het waarneembare gedrag. Skinner zag mensen en gedrag niet los van hun omgeving en stelde dat ieder gedrag een wisselwerking is tussen omgeving en mens.

Bij Het PLEIN leren kinderen zelf dingen te ervaren, ze worden NIET afgeschermd van hun omgeving. De kinderen leren zo dat hun gedrag bepaalde consequenties heeft, waarbij gezocht wordt naar een natuurlijke consequentie die logisch is naar aanleiding van het getoonde gedrag. De kinderen krijgen vaak de keuze door hen te vertellen welk gedrag tot welke gevolgen leidt. Op die manier kunnen kinderen zelf leren keuzes te maken en te leren omgaan met de consequenties, positief en negatief.

Het PLEIN maakt gebruik van de VB-mapp: Verbal Behavior Milestones Assessment and Placement Program. Deze onderzoeksmethode is gebaseerd op het werk van Skinner. De begeleiders brengen hierbij de ontwikkelingsgebieden van een kind jaarlijks in kaart. Van daaruit worden doelen gesteld waar de kinderen aan gaan werken, in overleg met de cliënt zelf of de vertegenwoordiger. Met het programma kan ook het toekomstperspectief bepaald worden, waarbij rekening gehouden wordt met de belemmeringen van het kind zijn om te leren en te ontwikkelen.

Een voorwaarde van deze methode is dat een kind voldoende taalvaardigheden heeft om getest te kunnen worden. 

Cognitieve benadering

De kennis die kinderen hebben, wordt opgeslagen in schema's in de hersenen. Als de kennis nodig is, worden deze schema's automatisch geactiveerd. Dat geldt ook voor sociale vaardigheden en zelfredzaamheid.

Kinderen met ontwikkelingsstoornissen hebben vaak disfunctionele schema's die zijn blijven 'stil staan'. Er is dan hulp nodig om deze schema's functioneel te maken. Door middel van uitleg en het laten ervaren wordt geprobeerd de schema's aan te passen.

Bij kinderen met herhaalgedrag proberen we dit te doorbreken  door vervangend gewenst gedrag aan te leren, dit is vooral belangrijk voor kinderen met een laag ontwikkelingsniveau, omdat zij op deze manier flexibeler worden en minder blijven hangen in herhalingen.